Is het lekken van licht een teken van teruglopende vitaliteit en oorzaak van ziekte?
In het dierenrijk raken organen en complete organismen disfunctioneel wanneer ze niet goed in staat zijn licht vast te houden. Dit gebeurt wanneer ze te veel licht verliezen aan hun omgeving op moment
In het dierenrijk raken organen en complete organismen disfunctioneel wanneer ze niet goed in staat zijn licht vast te houden. Dit gebeurt wanneer ze te veel licht verliezen aan hun omgeving op momenten dat ze het juist zouden moeten vasthouden en gebruiken voor cellulaire processen.
Vorig jaar kwam er een onderzoek uit waar ze een extreem gevoelige camera hadden ontwikkeld die zó zwak licht kan detecteren dat het normaal volledig onzichtbaar is. Met dat systeem hebben ze levende muizen gemeten en zagen ze dat hun hele lichaam een soort ultrazwak “gloeipatroon” heeft. Dat is een minimale emissie van fotonen die vrijkomt tijdens biologische processen.
Levende organismen zenden continu een kleine hoeveelheid licht uit. Dat is niet iets nieuws en gewoon in lijn met wat we al langer weten uit de biochemie. Bij processen zoals oxidatie en metabolisme ontstaan reactieve zuurstofsoorten, en die kunnen elektronen in een aangeslagen toestand brengen. Wanneer die terugvallen naar een lagere energietoestand, komt er een foton vrij. Dat is wat hier zichtbaar wordt gemaakt.
Wat interessant is, is wat er gebeurt na de dood. De emissie stopt niet meteen, maar neemt geleidelijk af. Sommige organen, zoals hersenen en lever, blijven nog een tijd zwak licht uitzenden. Dat zegt vooral iets over hoe langzaam bepaalde cellulaire processen uitdoven.
Het tweede deel van het onderzoek, met planten, maakt het nog iets concreter. Wanneer ze een blad beschadigen, stijgt de lichtemissie lokaal. Dat is logisch als je begrijpt dat schade leidt tot oxidatieve stress. Meer stress betekent meer chemische reacties waarbij elektronen energie verliezen, en dus meer fotonemissie. In die zin is dat licht verlies een indirecte marker van schade of stress.
Kernidee: wanneer een cel onder stress staat, zendt zij kleine hoeveelheden extreem zwak UV-licht uit, vaak biophotonen/biofotonen genoemd. Hoe meer stress een cel ervaart, hoe meer van dit ultrazwakke UV-licht vrijkomt. Die stress kan afkomstig zijn van fysieke schade, toxische belasting, tekorten in voeding, infecties, omgevingsfactoren, emotionele stress of huilen, een orgasme of lichamelijke inspanning.
Op zichzelf is deze vorm van emissie niet ongebruikelijk of per definitie schadelijk. Problemen ontstaan wanneer het verlies abnormaal snel gaat en of wanneer het herstel te traag verloopt.
Met andere woorden: elk levend organisme op aarde, of het nu uien, gras, apen of bacteriën zijn, zendt een bepaalde hoeveelheid biophotonen uit. Hoe beter een organisme licht kan vasthouden en benutten, hoe complexer het zich kan ontwikkelen en hoe meer vitaliteit het heeft. Een kenmerk van goede gezondheid is de efficiëntie waarmee het lichaam licht uit de omgeving kan opnemen, omzetten in verschillende vormen en opslaan voor later gebruik.
In eenvoudige termen die we binnen de N1 Community vaak gebruiken: licht is de valuta van het leven. Sterke elektrische en magnetische velden rond onze mitochondriën helpen ons om fotonen vast te houden en ze effectief te gebruiken. Omgekeerd zijn ziekte en obesitas mogelijke gevolgen van lichtverlies, veroorzaakt door zwakke elektrische en magnetische velden in de mitochondriën.
We kunnen het nog niet zo zwart wit zeggen als “lichtverlies veroorzaakt ziekte”, maar in het idee dat dit ultrazwakke licht een meetbare indicator kan zijn van wat er in weefsel gebeurt. Zie het als een soort bijproduct van biochemie dat je kunt gebruiken als signaal. Net zoals je hartslag of temperatuur iets zegt over je staat, kan dit licht iets zeggen over oxidatieve stress of metabole activiteit.
Een manier waarop we licht verliezen is via DNA. De dubbele helix van DNA moet zich tijdelijk ontwinden zodat cellulaire processen de instructies kunnen lezen om eiwitten aan te maken. De mate waarin fotonen tijdens dit proces op hun plaats blijven, bepaalt hoeveel ervan ontsnappen.
Als de elektrische en magnetische velden zwak zijn, bijvoorbeeld door versleten/beschadigde mitochondriën, chronisch zuurstoftekort door verkeerd/oppervlakkig ademen, een gebrek aan DHA door te weinig vis in het dieet, gebrek aan daglicht, gebrek aan aarden, verkeerd bioritme, slecht slapen, nnEMF, weinig beweging, weinig fysiek contact, slechte luchtkwaliteit, chronische stress, kan licht niet goed worden vastgehouden. Het ontsnapt dan als ultrazwak UV-licht, infrarood (warmte) of andere vormen van straling.
Daarnaast raakt ook de informatieve functie van licht verstoord wanneer het verloren gaat. Dat betekent dat het lichaam minder goed de informatie in elektronen kan uitlezen over bijvoorbeeld seizoensinvloeden. Dit kan de stofwisseling verstoren en verklaren waarom voedsel dat onder sterk zonlicht groeit, anders wordt verwerkt dan voedsel dat onder zwakke lichtomstandigheden is gekweekt.
De vraag is dan: waar, wanneer en hoe wordt iemand beïnvloed door dit verlies van licht?
Dat hangt af van welke mitochondriën het zwakst zijn, want daar zullen de elektrische en magnetische velden het laagst zijn. Zo verliezen mensen met anorexia vooral licht vanuit de hersenen, terwijl mensen met obesitas voornamelijk licht verliezen vanuit het lichaam, met name de lever en de alvleesklier.
Waarschijnlijk verschilt het patroon van ultrazwakke lichtemissie per aandoening, omdat elke aandoening andere weefsels onder metabole stress zet. Bij anorexia zouden hersenen en neuro-endocriene netwerken belangrijker kunnen zijn, terwijl bij obesitas vooral lever, vetweefsel en alvleesklier onder druk staan. Dat maakt biofotonemissie interessant als mogelijke marker van waar het lichaam metabool ontregeld is, maar dus niet als harde bewijs dat ziekte simpelweg “lichtverlies” is op die plek. Zo goed kunnen we het nog niet meten.
Dus de logica is: waar de grootste metabole druk zit, daar ontstaan waarschijnlijk meer redoxverstoring en oxidatieve reacties. Waar meer oxidatieve reacties plaatsvinden, kan meer ultrazwakke fotonemissie ontstaan.
Op termijn wordt gedacht dat elke ziekte een eigen specifiek patroon van lichtverlies heeft. Maar los van hoe de wetenschap zich verder ontwikkelt en techniek om dit nog beter te meten, blijft de oorspronkelijke kern eenvoudig en logisch: hoe meer licht je verliest, hoe minder vitaal je wordt; hoe beter je licht kunt vasthouden, hoe gezonder je bent.